‘Een kunstenaar heeft een sterke neiging om zijn eigen wil te verheerlijken. Een kunstenaar wil de werkelijkheid naar eigen beeld hervormen. De ware kunstenaar streeft naar onsterfelijkheid.’
Dat beweert Otto Rank in zijn klassiek geworden boek Der Künstler (1907). Ik heb een groot deel van mijn leven met kunstenaars gewerkt en durf dan ook de stelling aan dat een goed kunstenaar doorgaans een sterk narcistisch karakter heeft. Veel mensen hebben er moeite mee om in het algemeen te beweren dat een overmatig narcisme een voorwaarde is voor het kunstenaarschap. Is het ideaal van de kunstenaar altijd gericht op het goede, dat wil zeggen, op wat goed is voor de mens of voor de mensheid? Het antwoord is nee, als je een menselijk ideaal uitsluitend relateert aan begrippen als altruïsme, humaniteit, gerichtheid op de medemens of welke fraaie charitatieve intentie dan ook. Het ‘ideaal’ van een kunstenaar kan daar geheel los van staan.
Je kunt zelfs nog een stap verder gaan en je afvragen of kunst per definitie het beste met mensen (medemensen) voor heeft. Sinds de tijd van de Romantiek – en of we het leuk vinden of niet, romantisch zijn we nog altijd – is kunst in principe a-moreel en heeft dus niets van doen met een regelgeving voor de intermenselijke verhoudingen, wat niet wil zeggen dat een kunstenaar daar geen uitspraken over kan doen. Sinds we van God los zijn, gaat kunst over het goddelijke, dat wil zeggen: over onszelf. God werd voortaan ons diepste zelf. Door helemaal zichzelf te zijn raakte de kunstenaar in trance. Hij werd faustisch. Voortaan sprak hij de taal van de onmenselijke mens.
Ik ken iemand die zich wetenschappelijk bezighoudt met communicatie, maar absoluut niet met mensen kan omgaan. Zo’n ogenschijnlijk wereldvreemd figuur hoeft daarom nog niet een slecht wetenschapper te zijn. Zo is het ook met kunstenaars. Ze kunnen onuitstaanbaar zijn in hun gedrag, en toch in hun kunst blijk geven van een groot menselijk inlevingsvermogen. Sterker nog, een overmatig narcisme is zelfs een cruciale voorwaarde voor het kunstenaarschap. Een kunstenaar, die niet veel met zichzelf bezig is, is meestal geen goed kunstenaar.
‘Nothing is important but myself. Nothing is important but writing. I want to write, and I want to write in English. Everything and everybody that is of help on that way, is welcome. Everything or everybody that threatens it I shall try to crush and to beat down on my way.’
Aldus Gerard Reve in een brief aan Hanny Michaelis op 12 mei 1953. Nop Maas citeert deze woorden in zijn biografie. Hoewel Reve een dag later liet weten dat het onzin was wat hij geschreven had, typeren deze woorden hem. Voor de literatuur zette Reve alles opzij, als het moest zelfs zijn relatie. Ook Willem van Albada (Teigetje) heeft zich later in vergelijkbare termen over hem uitgelaten. Reve was rücksichtslos als het om het belang van zijn eigen schrijverschap ging. Als het moest kon hij mensen als een baksteen laten vallen. De literatuur ging vóór alles, zelfs de liefde moest er voor wijken als het er echt op aan kwam. Dat is wat wonderlijk voor een schrijver, voor wie de ontoereikendheid van de menselijke liefde een van zijn grootste thema’s was.
Toch zou je kunnen zeggen, dat dit juist de houding van een groot kunstenaar is. Grote kunstenaars kiezen voor de kunst, en laten – als er het echt op aan komt – desnoods vrouw en kinderen daarvoor in de steek. En toch, een hoge mate van narcisme mag dan een voorwaarde zijn voor het grote kunstenaarschap, het zijn alleen de allergrootste kunstenaars die de diepte van het menselijk bestaan daadwerkelijk weten te peilen. Dat is de paradox van het kunstenaarschap: op het toppunt van het onmenselijke wordt de kunstenaar bij uitstek menselijk. Picasso was een onmenselijk mens, en daarom als kunstenaar het prototype van de moderne mens. Een echt goed kunstenaar moet wreed kunnen zijn.
Ik heb die onmenselijke houding altijd wonderlijk gevonden, als ik hem zelf in de praktijk tegenkwam. Ik heb een aantal kunstenaars ontmoet – niet veel – die er ook zo over dachten, er de uiterste consequentie uit trokken en uiteindelijk – in het belang van de kunst- hun vrouw en kinderen lieten schieten. Dat waren stuk voor stuk belangrijke kunstenaars die het ook ver geschopt hebben. Wel waren het altijd mannen, nooit een vrouw. Ik denk dat voor een vrouw een dergelijke keuze minder vanzelfsprekend is, hoewel ik niet uitsluit dat ook vrouwelijke kunstenaars of schrijvers hebben bestaan, die in hun leven voor een dergelijk dilemma hebben gestaan en uiteindelijk kozen voor de kunst. In de totale overgave aan zijn of haar beroep heeft de kunstenaar iets weg van een terrorist. Er bestaat een beroemd interview met Ulrike Meinhof, waarin zij spreekt over het dilemma om voor haar kinderen of voor politieke actie te kiezen. Voor een vrouw zou een dergelijke keuze moeilijker zijn dan voor een man, zo beweerde zij. Wat haar keuze uiteindelijk is geweest, heeft de geschiedenis laten zien.
Er zijn mensen, die een dergelijke keuze op morele gronden verwerpen, en misschien zullen zij zich daarbij zelfs beroepen op christelijke beginselen over naastenliefde en huwelijkstrouw. Maar dan gaan ze gemakshalve voorbij aan de woorden van Christus zelf, die zijn apostelen opriep om vrouw en kinderen te verlaten en alleen hem te volgen. Ook voor Christus bestond er een ideaal dat hoger reikte dan vrouw en kind. Voor dat ideaal viel alles in het niet, zelfs de dood. Het diepe inzicht van Christus als onmenselijk mens was dat de dood er niet toe doet. God zit niet in de mens en staat ook niet buiten de mens, maar valt één op één samen met de kloof tussen God en mens. Dat is het mysterie van de Drie-eenheid, de geheimzinnige paradox van het christelijk dogma van de mensgeworden God. Omgekeerd: door te sterven wordt de mens verenigd met God, omdat de kloof tussen God en mens dan eindelijk wordt opgeheven. Vandaar deze doodsverachting van Christus. Zijn koninkrijk was niet van deze wereld. Dit leven was in zijn optiek slechts een blad dat wegwaait in de wind.
Maar geldt dat verheven ideaal ook voor een kunstenaar? Zijn er kunstenaars die hun eigen leven zouden willen opofferen voor de kunst? Vereist het kunstenaarschap ook zoiets als deze ultieme moed? G.K. Chesterton heeft ooit de paradox van de moed als volgt omschreven: ‘a strong desire for living with a strange careless about dying.’ Ik denk dat in het rijtje godsdienstfanaat en zelfmoordterrorist de kunstenaar op een treetje lager staat in de hiërarchie. Maar ook hier zijn er uiteraard uitzonderingen. Neem alleen al Bas Jan Ader die met zijn zeereis In Search of the Miraculous een subliem kunstwerk realiseerde, maar daarbij wel een vrijwel zekere dood tegemoet ging.
En wat te denken van de Japanse schrijver Yukio Mishima. In 1970 pleegde hij op rituele wijze zelfmoord volgens de oude Japanse mores van de Samurai, door eerst een dood-gedicht te schrijven en vervolgens met een zwaard de hand aan zichzelf te slaan. Mishima was fel gekant tegen de ondergang van oude Japanse cultuur. Welke Friese dichter doet hem dit na uit bezorgdheid voor de teloorgang van eigen volk en vaderland? Cornelis van der Wal niet, vrees ik. Alleen in het aanzien van de dood brengt de kunst zoiets als waarheid voort. En toch, is dat wel zo? Hoe onbaatzuchtig is de zelfverkozen dood? Zelfmoord kan een ultiem kunstwerk zijn en er zijn kunstenaars die zelfmoord plegen om daarmee verzekerd te zijn van eeuwige roem. Maar dat kan ook wel eens averechts uitpakken.
In zijn beroemde boek over de zelfmoord De mythe van Sisyphus (1942) noemt Albert Camus de filosoof Jules Lequier, geboren in 1814, die in 1862 bij Plérin de zee in zwom en niet terugkwam, en waarvan men aannam dat hij de dood zocht om zijn roem veilig te stellen. Ook maakt hij gewag van een zekere Peregrinos die vanwege zijn legendarische zelfmoord in het oude Griekenland ook nu nog in een legende voortleeft. Deze cynische filosoof kondigde zonder enig aanwijsbaar motief zijn eigen zelfmoord aan, die hij bij de eerstvolgende Spelen in Olympia ten uitvoer zou brengen. Daar voegde hij wat je noemt de daad bij het woord. Nadat hij zijn eigen begrafenisrede had uitgesproken, stak hij zichzelf in brand. Camus noemt ook een eigentijds navolger van Peregrinos, een Franse schrijver, die na de voltooiing van zijn eerste boek zelfmoord pleegde, om de aandacht op zijn werk te vestigen. Die aandacht werd inderdaad gewekt, maar het boek werd al gauw vergeten.
‘There are women for whom it holds that, in order to be allowed to fuck them freely and repeatedly, one would be ready to calmly observe one’s own wife and small child drowning in cold water.’
Met deze ijzingwekkende eerste zin van zijn roman veroorzaakte een Engelse schrijver in de jaren negentig een klein schandaal. De Sloveense filosoof Slavoi Žižek noemt dit voorbeeld in zijn boek The puppet and the dwarf, the perverse core of christianity (2003). Hij bestempelt de houding van volledige overgave, die in deze zin wordt verwoord, als de extreme formulering van de religieuze status van de seksuele extase. Al was het dan literaire verbeelding en geen werkelijkheid, ook deze schrijver was ‘in search of the miraculous‘, zij het meer op de wijze van Bataille dan van Christus of Bas Jan Ader. De religieus-seksuele extase, die hij beschreef, was volslagen a-moreel, maar wat heeft literatuur met de moraal van doen? Wat had Christus met de moraal te maken, toen hij zijn leerlingen opriep om vrouw en kinderen te verlaten? Waar ligt de grens tussen werkelijkheid en fictie, tussen kunst, religie en terreur? In de ogen van de Romeinen was Christus een potentiële zelfmoordterrorist die terecht gekruisigd werd. Grote kunstenaars, terroristen en godsdienstfanaten zijn uit misschien wel hetzelfde hout gesneden. Voor hun ideaal doen ze alles. Ze gaan op zoek het wonderbaarlijke, desnoods met een doodsprong in het absolute. Een kunstenaar is een onmenselijk mens.